Geen producten (0)
 

Folk Dean - deel 1 (2e hands)

€ 3,95
Op voorraad
Omschrijving

Het eerrste leerboek van de Folk Dean methode. Wanneer de eerste bladzijde van boek één wordt opengeslagen, is er een overvloed aan informatie te zien....

Zo, dat wordt dus eerst heel wat uitleggen voordat er ook maar aan het eerste regeltje begonnen kan worden… Of niet? Misschien is het juist beter om maar gelijk met het eerste regeltje te beginnen. Hoe minder de leerling weet in dit stadium, hoe beter. Hij speelt de eerste oefening beter, omdat hij nog nergens aan hoeft te denken. Natuurlijk moet de docent de centrale c aanwijzen en vertellen dat daar de duim op moet en op elke volgende toets een vinger, maar dan gaat het als vanzelf. Vanuit dit beginpunt kunnen daarna de theoretische zaken van deze bladzijde worden toegelicht.      

De meeste dingen behoeven hier geen uitleg. Wel is het goed om bij de tweekwartsmaat nog toe te voegen dat het bovenste cijfer het aantal, en het onderste cijfer de waarde van de noten aangeeft. Verder moet nog aandacht geschonken worden aan het begrip “maat” (tijdsafstand, meting van tijd) en  “maatstreep” (verdeling van maten). Bij erg jonge kinderen zouden deze zaken ook in een later stadium uitgelegd kunnen worden, wanneer het als erg moeilijk ervaren wordt. De eerste paar lessen moeten zeker niet te moeilijk gemaakt worden, omdat dit demotiverend werkt bij de leerling.   
 
Wel moet een goede manier gevonden worden om de noten aan te leren. Deze moeten ook regelmatig overhoord worden, omdat bij veel leerlingen het gevaar bestaat dat ze vanaf de vingerzettingen gaan spelen in plaats van de noten. De volgende bladzijden kunnen onder goede begeleiding probleemloos worden afgewerkt.
Het volgende probleem wat zou kunnen ontstaan, is wanneer de halve noot “in het spel” komt. Dit gebeurt op bladzijde negen. Tot dan toe was er alleen sprake van een kwartnoot. Wanneer alle noten maar even lang gespeeld werden, klonk het al “in de maat”. Dit gaat nu veranderen. De leerling moet nu heel bewust gaan tellen. Het is erg belangrijk dat dit goed begeleid wordt. Bij veel amateurorganisten, die denken dat ze redelijk goed kunnen spelen, is het juist deze techniek die ontbreekt of onderontwikkeld is. Gevolg: slordig en onnauwkeurig spel. Een hulpmiddel is om van de halve noot twee kwartnoten te maken. Zie ook een oefening van bladzijde negen (nr. 45) met daaronder de herleiding in kwartnoten. Wanneer de leerling de onderste oefening een aantal malen foutloos gespeeld heeft, probeert hij de originele (bovenste) oefening. Deze wordt nu veel gemakkelijker, omdat hij in gedachten de halve noot als twee kwartnoten blijft spelen. Het enige verschil is dat hij op die punten de toets niet meer optilt. 

Bogen
Vanaf bladzijde elf krijgt de leerling te maken met het zogenaamde bogenspel. Het is belangrijk dat de functies van de verschillende soorten bogen goed onderscheiden worden. Er worden de komende bladzijden drie verschillende soorten bogen gebruikt, namelijk:   
 
1 De verbindingsboog: Twee dezelfde noten staan met een boog aan elkaar      verbonden, vaak over de maatstreep heen. Deze noten moeten     dus klinken als één noot of toon.
2 De fraseringsboog: Deze boog staat over een aantal noten heen die bij elkaar     horen. Tussen twee bogen moet gefraseerd worden (denk     bijvoorbeeld aan het ademhalen bij het zingen).
3 De tekstboog:  Deze heeft geen invloed op de uitvoeringspraktijk. De tekstboog     komt alleen voor bij liederen waar de tekst bij staat en geeft aan     wanneer er één lettergreep over verschillende noten gezongen     moet worden.

Ook wordt (vanaf bladzijde 13) de komma gebruikt. Deze komma heeft dezelfde functie als de fraseringsboog. Verwarrend is wel dat de komma en de fraseringsboog op bladzijde 22, bij het lied “Van de hoge hemel”, door- (of bij-) elkaar gebruikt worden. Hoewel ze dezelfde functie hebben, is in dit geval duidelijk te zien dat de komma alleen op heel sterke rustpunten gebruikt wordt. 

Dynamische tekens
Op bladzijde twintig worden de eerste dynamische tekens gebruikt. Deze hebben betrekking op de klanksterkte. Goed is om verschil te maken tussen de letters (p, mf, f), die een toestand weergeven (terrassendynamiek) en de tekens ( ), welke een proces weergeven (overgangsdynamiek). De leerling leert het volgende schema:
pp =  pianissimo  = zeer zacht p =  piano   = zacht mp =  mezzo piano  = half (matig) zacht mf =  mezzo forte  = half (matig) sterk f =  forte   = sterk ff =  fortissimo  = zeer sterk
Crescendo: of  “cresc.” = sterker wordend
Diminuendo: of “dim.” = zachter wordend 
[voor het woord “diminuendo”  wordt ook wel “decrescendo” gebruikt]      
 
Herhalen
Op bladzijde twintig komt tevens voor het eerst de herhalingsstreep voor. Ik heb eens een leerling gehad, die bij “een oud liedje” (onder aan bladzijde twintig) niet verder kwam dan de eerste vier maten, omdat ze telkens weer het woordje herhalen tegenkwam. Deze vier maten kent ze nu nog uit haar hoofd. Het blijkt dus nodig, dat uitgelegd wordt, dat bij een herhalingsstreep al het voorgaande slechts één keer herhaald hoeft te worden. 

Tot slot van de bespreking van het eerste leerboek is er nog een kleine technische handeling, die besproken moet worden. Het gaat om het laatste systeem van het liedje “De boeren” (onderaan bladzijde zestien). 
Het gaat om de vierde maat. Veel mensen spelen daar in de rechterhand de noot e los van de noot c, simpelweg omdat de linkerhand dezelfde noot c al eerder heeft in die maat (halve noot). Om de rechterhand nu mooi legato te houden, is het noodzakelijk dat de noot c in de linkerhand iets ingekort wordt. Nu is het zo, dat een leerling op dit niveau nog geen opdracht gegeven kan worden om een noot “iets” of “een half telletje” korter te maken. Daarom lijkt de volgende oplossing de beste:       
Wat tot nu toe besproken is, is allemaal nieuw voor de leerling. Bij de bespreking van de volgende deeltjes hoeft niet alles meer uitgelegd te worden, omdat niet alles nieuw is. Daarom kan het zijn dat de volgende boekjes iets beknopter besproken worden.

In goede staat!