Geen producten (0)
 

Hul, J. van 't - Naar Nineve (Actieprijs!)

€ 6,95
Op voorraad
Omschrijving

Eenvoudig boekje over de profeet Jona te gebruiken bij het bijbellezen. Het gebruik maken van een goede verklaring bij het lezen van de Schrift valt zeer aan te bevelen. Dat geldt ook voor de bekende geschiedenis van het Bijbelboek Jona. Het is goed dat de lezer(es) kennis neemt van achtergrondinformatie, maar zeker ook wat het ons persoonlijk te zeggen heeft.

Bij het Bijbellezen van het Bijbelboek Jona heeft de auteur tal van Bijbelverklaringen, zoals Matthew Henry, Calvijn en Dächsel geraadpleegd. Dit boek is hiervan een verslag. Door de opgenomen gespreksvragen achter elk hoofdstuk is het boek tevens zeer geschikt voor gebruik door verenigingen en Bijbelstudiegroepen.
De auteur is journalist bij het Reformatorisch Dagblad en heeft al tal van Bijbelstudie- en kerkhistorische boeken op zijn naam staan.

Nu slechts 6,95

--------------

Voorbeeld van de inhoud:

  1. Jona’s roeping en vlucht

‘En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé.’

Jona 1:1 en 2a

Hij is geen held, de man die daar onrustig langs de kade van Jafo loopt. Gehaast zoekt hij een schip dat hem mee wil nemen. Waarheen, dat maakt hem niet uit, als het maar naar het westen is. Een mooi schip hoeft het ook niet te zijn, als het maar drijven wil, de Middellandse Zee op.

Hij is geen held. Hij had naar het oosten gemoeten, naar Assyrië (ook wel Assur geheten). Dat had de Heere gezegd: ‘Ga naar de grote stad Ninevé.’ Maar hij kijkt wel uit om naar Ninevé te gaan! Veel te riskant, die stad, een van de grootste wereldmachten van die tijd, de hoofdstad van het Assyrische rijk. Veel criminaliteit, veel goddeloosheid, veel wat niet door de beugel kan, een stad vol slechte dingen en slechte mensen, die de sabbat niet houden en die God noch gebod erkennen. Dat is het hol van de leeuw, waar de zonden ten hemel schreien.

Dit vuur is Jona te heet. In Ninevé preken over de onnaspeurlijke rijkdom van Gods barmhartigheid is boter aan de galg gesmeerd, dat is ploegen op rotsen. Preken in Ninevé zal hem geen onderscheiding opleveren van ‘de beste preek van het jaar’. Preken tégen Ninevé wordt in elk geval geen oppervlakkige dialoog, niet zomaar een gesprek van de een met de ander. Jona moet de confrontatie aangaan, moet het oordeel gaan aanzeggen.

Hij ziet het al voor zich, hoe hij, zo’n zielige profeet uit Israël, op de markt van Ninevé staat te prediken, hoe hem hoongelach in de oren zal klinken, hoe ze hem misschien bij de kraag zullen grijpen en hem de stad zullen uitwerpen. Daar wordt een vroom mens als Jona maar angstig en benauwd van.

De man die daar ijsbeert over de kade van Jafo gaat niet naar Ninevé. Hij is geen held. Hij is een profeet, door Goddelijke inspraak krachtdadig geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht om anderen het oordeel aan te zeggen en hun de weg ter zaligheid te wijzen. De Heere Zelf heeft hem het woord in de mond gelegd, kort en krachtig: ‘Ga naar Ninevé.’ Maar hij gaat níet naar Ninevé.

Hij is geen grote profeet, maar een kleine. Hij behoort niet tot de vier bekende grote profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël), maar tot de bekende twaalf kleine. Om Gods opdracht te ontlopen, vlucht hij van het hoge bergland van Zebulon naar het lage Jafo aan de zee. Hij sterft liever langs de kant van de weg, dan dat hij dit bevel God gewonnen geeft.

Zo loopt een kleine profeet op de kade van Jafo (de oudtestamentische naam voor het nieuwtestamentische Joppe, het huidige Haifa). Hij zoekt een kapitein, of een roerganger, of een rondslenterende matroos, in elk geval iemand met een schip dat naar het westen gaat. Jona wil van de Heere vandaan.

Jona is geen held. Hij weet het maar al te goed. En hij komt er ook rond voor uit. Hij heeft het zelf allemaal opgeschreven. Misschien heeft hij, net als Jeremia (Jeremia 36), zijn levensverhaal door een ander laten opschrijven, maar, hoe dan ook, Jona is er eerlijk mee voor de dag gekomen. Hoe hij gevlucht was, als een onwaardige dienaar, als een ongeschikte dienstknecht, als een laf kind van God. Eerlijk heeft hij zijn eigen zwakheden beschreven in het bijbelboek dat zo eenvoudig zijn naam draagt: ‘Jona’.

Als een ootmoedige schuldbelijdenis verhaalt hij eerlijk zijn eigen gebreken. Als de Heere zegt: ‘Ga naar het oosten’, vlucht hij naar het westen. Hij denkt dat de Heere hem daar niet ziet. Maar de Geest Gods, Die evenals de wind blaast waarheen Hij wil, ontdekt een Jona even gemakkelijk in het westen als drie wijzen in het oosten.

God is genadig. Dat is de korte samenvatting van dit bijbelboek. Daarom wordt het boek Jona in de synagoge ook nog steeds gelezen op Grote Verzoendag (of Jom Kippoer), om duidelijk te maken dat God geen welgevallen heeft in de dood van de zondaar, maar daarin dat hij zich bekere en leve.

Van Jona’s geslachtsregister is weinig bekend. Alleen in 2 Koningen 14:25 lezen we: ‘Naar het woord des HEEREN, des Gods van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-Hefer was.’

Van Jona wordt dus gezegd dat hij een knecht, een zoon en een profeet is. Hij is een knecht van de Heere, hij is een zoon van Amitthai en hij is een profeet die de woorden Gods spreekt, een mens die Gods wil bekendmaakt aan het volk.

Jona betekent in het Hebreeuws ‘duif’. Dat is een mooie naam voor een profeet, want profeten behoren oprecht als een duif te zijn en te kirren als een duif om de zonden en de ongerechtigheden van het volk te bewenen.

Het is de tijd van Jerobeam de tweede (de zoon van Joas uit het huis van Jehu), koning van het noordelijke tienstammenrijk. Jona is dus een tijdgenoot van de profeten Amos en Hoséa.

Economisch gezien was dit voor het tienstammenrijk een goede tijd. Het was een tijd van hoogconjunctuur. Koning Jerobeam had veel macht en de schatkamers waren vol. Maar tijden van hoogconjunctuur blijken ook vaak tijden van geestelijke laagconjunctuur te zijn. De Heere werd weinig gediend en weinig geëerd.

Van vader Amitthai weten we niet meer dan dat zijn naam ‘De Heere is waarachtig’ of ‘De Heere is getrouw’ betekent, en dat hij woont in Gath-Hefer, een dorpje in het stamgebied van Zebulon, iets ten noordoosten van Nazareth, aan de doorgaande weg naar Tiberias. Gath-Hefer is misschien het tegenwoordige Khirbet ez-Zoerra. Men beweert daar zelfs Jona’s graf te kunnen aanwijzen, in een grot, onder de plaatselijke moskee.

De locatie van Jona’s graf is overigens wel wat twijfelachtig, want anderen wijzen Ninevé aan als de plaats van zijn graf. Nog weer anderen denken aan ‘Nebi Yoenis’, een graf op een heuvel bij de haven van Asdod.

Van Jona’s moeder weten we niets. Joodse rabbijnen hebben wel beweerd dat Jona een zoon was van de weduwe te Zarfath, de zoon dus die door de profeet Elia op zo’n wonderlijke wijze was opgewekt uit de dood (1 Kon. 17:22). Dit verhaal heeft echter geen grond in de gewijde geschiedenis.

Zo zien we de kleine profeet onrustig gaan op de kade van Jafo, een knecht, een zoon, een profeet, maar zeker geen held. Hij wil weg. Hij wil niet wat de Heere wil. Jona heeft een Goddelijk beroep gekregen dat hij moet aannemen, maar hij is echt van plan ervoor te bedanken. In die beroepsbrief heeft de Heere iets heel schrikwekkends tegen hem gezegd: ‘Ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht’ (Jona 1:2).