Geen producten (0)
 

Kok, Jan de - Een arme dienstknecht

€ 14,95
Op voorraad
Omschrijving

Uit het leven van William Huntington (1745-1813)

William Huntington wordt in Cranbrook in een arbeidershuisje geboren. Boer Russel stelt hem in staat de Latijnse school te bezoeken. Later blijkt dat deze boer zijn echte vader is. Wegens grote armoede in gezin Hunt moet William meehelpen om de kost te verdienen. Wonderlijk zijn de vele gebedsverho-ringen die hij mag ervaren. Als William Huntington na een zware innerlijke strijd dominee wordt, mag hij veel vrucht ervaren op zijn prediking. Van heinde en ver komen de mensen naar hem luisteren. In 1782 wordt hij predikant van de Voorzienigheidskapel in Londen. Maar deze kerk verbrandt …  ISBN 9789461150400,  Dit deel bevat foto’s, tekeningen en kaartje.

Wie zich opgeeft als nieuwe abonnee via mailadres: b.de.jong@kliksafe.nl:
-  ontvangt dit boek voor 9,95 
-  spaart voor de nieuwe delen
- kan de reeds verschenen delen aanschaffen voor 9,95 ipv 13,95 of 14,95

Bijzonder geschikt als jeugdboek, maar ook ouderen zullen dit boek graag lezen. Doelgroep: 10 jaar en ouder.  Hieronder volgt een deel van hoofdstuk 1.

1. Boer Russel
Tjonge jonge, wat rammelt zijn maag! William wrijft met zijn rechterhand over zijn maagstreek. De hele dag al gaat zijn maag harder te keer dan anders. Op andere dagen was er meestal nog wel iets te eten, voordat hij naar school ging, maar vanmorgen was er niets. Nog geen kruimeltje!
Hij was via de boomgaard van boer Russel, de baas van zijn vader, naar school gelopen. Wie weet, hing er nog wel een klein appeltje hier of daar. Eerst goed kijken natuurlijk, of zijn vader er rond liep of, wat erger was, boer Russel. Die was niet mals, als hij je in zijn handen kreeg.

Maar er hing niets meer. Hij had het kunnen weten. Al weken geleden was het laatste fruit uit de boomgaarden gehaald.

‘Hé William,’ klinkt achter hem een stem.
William blijft staan en kijkt achterom. Daar komt een van zijn schoolkameraden aangehold.
‘William, ga je mee naar Sissinghurst Castle?’ brengt hij er hijgend uit.
‘Wat ben je van plan in het kasteel?’
‘Nou, het zit zo William,’ begint zijn kameraad. Fluisterend gaat hij verder. Williams ogen beginnen te glimmen en er verschijnt een grijns op zijn gezicht. Een goede grap uithalen met die Franse krijgsgevangenen wil er wel in bij hem. Maar dan ineens grijpt hij naar zijn maag. Die rammelt zo erg, dat het pijn doet. Wat heeft hij een honger!
‘Een andere keer ben ik je man,’ zegt William dan resoluut. ‘Ik moet nu eerst naar huis, want ik kom om van de honger.’ Direct loopt hij in de richting van zijn ouderlijke woning.
Bij het grote grasveld slaat hij rechtsaf een weggetje in. Hij stapt stevig door. Nu zal zijn moeder toch wel brood hebben? Een paar honderd meter verderop ziet hij de woning waar hij moet zijn. De eerste van de twee daglonerswoninkjes tegenover de grote boerderij van boer Russel.
‘Goedemiddag moeder,’ roept hij als hij de deur van het kleine huisje opent.
‘Wie is daar?’ hoort hij van boven.
‘Ik!’ roept hij hard.

William hoort stommelende voetstappen op de trap. Even later staat zijn moeder voor hem.
‘Hoe was het bij meester Hassell?’ vraagt ze, terwijl ze haar jongen van top tot teen opneemt.
‘Prima, maar is er wat te eten? De zoons van boer Russel komen niets te kort. Dat heb ik op school gezien. Maar ik, ik rammel van de honger.’
Een pijnlijke trek komt er op moeders gezicht. Ze zucht.
‘Nee, m’n jongen,’ fluistert ze dan. Haar ogen worden vochtig.
Stil staan ze daar tegenover elkaar. Moeder en zoon.
‘Ik wilde, dat ik een beest was,’ laat William zich ontvallen, ‘dan kon ik tenminste gras eten.’ Hij draait zich om en wil het huis weer uitlopen.
‘William,’ roept zijn moeder hem na, ‘kom eens terug, ik wil even met je praten.’
William blijft stilstaan, wil doorlopen, maar bedenkt zich. Moeder heeft intussen een stoel onder de tafel vandaan geschoven en is gaan zitten. En dan trekt ze William op schoot alsof hij nog een heel kleine jongen is. William laat het gewillig toe.
‘Weet je, jongen’, haar stem is vlak bij zijn oor, ‘als je eens wist, hoe graag ik je wat te eten zou willen geven. Maar ik heb niets. Geen kruimel in huis. Ik hoop dat je vader wat meeneemt vanavond om te eten. En anders je broers. Die werken er ook hard voor.’
‘En als ik nu ga werken, zoals ik vroeger deed, voordat ik naar school ging? Dan hebben we meer geld om eten te kunnen kopen. Dan hoeft u ook geen honger te lijden.’
Moeder zucht.
‘Wees blij, dat boer Russel zo goed is om je naar de Free Grammar School van Cranbrook te laten gaan. Je broers moeten op het land ploeteren. ’s Winters moeten ze het hout uit de bossen gaan halen. Net als jij, toen je nog niet naar school ging. Jij leert tenminste van meester Hassell het Nieuwe Testament lezen. Dat is heel wat waard.’
Ze zwijgen allebei. Moeder staart uit het raam naar buiten. William voelt, dat moeder nog meer wil zeggen.
‘Weet je, William, ik moet je wat vertellen. Heb je jezelf nooit afgevraagd waarom nu juist jij naar school mag op kosten van boer Russel en je zussen[1] niet?’
William schudt zijn hoofd. Daar heeft hij nog nooit over nagedacht.
‘Jongen, wat ik je nu ga vertellen, had ik liever niet willen vertellen, maar het moet er een keer van komen. Schrik niet, William, maar boer Russel is … jouw vader!’
Een schok gaat door William heen. Is boer Russel, die kwade man, die alles en iedereen uitbuit, zijn vader?
‘Op 2 februari 1745 ben jij geboren in dit arbeidershuisje, buiten de bebouwde kom van Cranbrook. Ik wist, dat je geen kind was van de man, die jij ’papa’ noemt. En dat wist hij ook. Hij heeft er tot op de dag van vandaag erg veel moeite mee.
Natuurlijk ziet boer Russel, dat wij het arm hebben, terwijl hij rijk is. Ook weet hij maar al te goed, dat jij eigenlijk zijn zoon bent. En daarom laat hij jou naar school gaan, maar hij geeft niets om je pleegvader en je halfzusjes[2].’
Moeders stem klinkt schor. William weet dat ze nu huilt. Hij kijkt niet om. Dit moet hij eerst eens goed tot zich laten doordringen: hij is een zoon van boer Russel! Wie had dat ooit kunnen denken?
Moeder praat verder. Het lijkt wel, alsof ze haar hart wil luchten. De woorden glijden langs William heen. Er hamert maar een ding in zijn hoofd: hij is een zoon van boer Russel![3]

Dief!
Als William een half uur later naar buiten loopt, knaagt de honger van binnen nog steeds. Hij slentert de weg af in de richting van Cranbrook. Zouden zijn kameraden nog bij Sissinghurst Castle, het grote kasteel net buiten het dorp, zijn?
Onderweg zijn z’n gedachten steeds bij boer Russel. Dus de dikke zoons van de boer zijn eigenlijk zijn halfbroers. Ook al is hij nog geen acht jaar oud, dat begrijpt hij wel. Hij mag die jongens niet, zeker nu hij weet dat het zijn broers zijn. Zij zijn dik van al het eten dat ze krijgen en hij? Hij heeft honger!
Inmiddels is hij in het dorp gekomen. Er schijnt een flets najaarszonnetje. Gelukkig regent het niet. Hé, wat ziet hij daar? Een eindje voor hem uit loopt een van die Franse jongens die de krijgsgevangenen verzorgt, die in het kasteel opgesloten zitten. Maar wat hem bijzonder aantrekt, is het grote brood, dat die jongen onder zijn arm heeft. Een groot, vers, goudgeel brood!
Het water loopt William in zijn mond. Het lijkt, of hij een duizeling voelt. Hij gaat sneller lopen. Er flitst een gedachte door hem heen. Zal hij het doen? Eén ruk en hij heeft het brood te pakken. En dan … hollen!

Nieuw!