Levensschets door Jan Geense (1848-1933) zelf beschreven. Op eenvoudige wijze beschrijft hij zijn levensweg die God met Hem heeft gehouden. Met een voorwoord van wijlen ds G.H. Kersten uit 1934
Op de vriendelijke drang van familieleden en trouwste vrienden van Jan Geense, wil ik gaarne met een kort woord bij de lezer inleiden het door de overledene nagelaten werkje. Het heeft de Heere naar de rijkdom Zijner genade behaagd onze vriend Jan Geense niet alleen te trekken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, maar hem ook, bij de bevestiging van zijn verlossing in Christus, gedurig te verlenen een leven uit Hem. De oefeningen des geloofs zowel in het geestelijk als in het natuurlijk leven, deden hem opwassen in de kennis van Christus. Moeilijk kan in woorden worden omschreven de plaats die hij onder het volk van God innam. En voor de kerk én voor ons land is zijn heengaan een groot verlies. Niet dat Geense iets van zichzelf vermocht. Ook hij was een gevallen Adamskind en na ontvangen genade vol gebreken. Maar de Heere verwaardigde hem de nood van kerk en land in den gebede te dragen. Meermalen stond hij in de nachten op, om zijn God en Vader aan te roepen, als zijn ziel vanwege de toestand van ons volk in bange nood verkeerde. Och, had Nederland meer bidders!
Door zijn tochten als schipper was Geense alom bekend. Sinds 1904 werd hij door een zwaar lichaamsgebrek genoodzaakt aan wal te gaan. Met winkelen mocht hij in zijn onderhoud voorzien. In 1917 moest hij zijn tweede vrouw missen; anderhalf jaar daarna zijn oudste dochter, Jozina en in 1932 Janna. De beproevingen bleven hem dus niet gespaard, maar zij dienden mede tot de oefening des geloofs en bonden hem nauwer aan de Heere. De vrucht daarvan werd openbaar in een godzalig leven; een leven, arm in zichzelf, doch rijk in God, in Wien hij zijn hulp en sterkte vond. ‘ Woensdag 27 September 1933 werd Geense door een beroerte getroffen. Weer tot bewustzijn gekomen, getuigde hij van zulk een vereniging met de weg des Heeren, dat het hem goed was, wat de Heere deed; hetzij hij herstellen dan wel sterven moest. De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat vervulde zijn ziel, naar het Woord des Heeren: „Vrede geef Ik u, Mijn vrede laat Ik u; niet gelijkerwijs de wereld die geeft, geef Ik hem u". Zaterdagsmorgens viel onze oude vriend in een slaapberoerte, waaruit hij niet weer ontwaakte. Zondagmorgen 8 oktober 1933, heeft hij de loop geëindigd en is hij ingegaan in de heerlijkheid, welke hem en al Gods uitverkorenen bereid is, naar het welbehagen des Vaders, in het bloed van Christus, door de Heilige Geest, Hem, Die op de troon zit en het Lam eeuwig en volmaakt lof en eer en heerlijkheid te geven.
Donderdag daaraanvolgende had de ter aardebestelling plaats. Een groot getal vrienden en kennissen had zich naar Nieuw-Lekkerland begeven. Aan de geopende groeve spraken de vrienden W. Blaak van St. Philipsland, Pleun Kleijn van Rotterdam en J. Vijverberg van Rhenen. In twee familieschepen vergaderden zich nog velen nadat de dodenakker verlaten was. De Heere moge de lezing van dit eenvoudig geschrift dienstbaar maken tot eer van Zijn Naam en tot heil veler zielen. Gaarne verblijf ik uw geringe dienstknecht om Christus' wil, U Gode bevelende,
Rotterdam, februari 1934. Ds. G. H. KERSTEN - Licht op de kandelaar
Uitg. den Hertog, 68 pag. pb. In zeer mooie staat!
© 2026 www.refoboek.com - Powered by Shoppagina.nl